6 min
Wat bepaalt eigenlijk of iemand een relatie vormt? Liselotte begon haar promotieonderzoek
met die vraag, maar ontdekte gaandeweg dat het antwoord veel minder eenvoudig is dan gedacht.
In deze blog blikt ze terug op wat twaalf jaar onderzoek haar leerde.
Mijn promotieonderzoek begon met de vraag welke psychologische kenmerken voorspellen wie gemakkelijker een relatie vormt. Twaalf jaar en vijf studies later bleek die vraag te eenvoudig: relatievorming hangt niet alleen samen met de persoon, maar ook met de ander, de levensfase, de datingcontext en wat er tussen twee mensen gebeurt.
Op 18 september aanstaande (2026) verdedig ik mijn proefschrift. Dat maakt dit een vreemd moment om terug te kijken naar 2014. Toen publiceerde ik mijn boek Ja, ik wil! wat achteraf gezien het startpunt is gebleken voor mijn promotieonderzoek. Ik startte met een vraag die mij eigenlijk heel overzichtelijk leek:
Welke psychologische kenmerken maken dat de ene persoon gemakkelijker een relatie vormt dan de andere?
Natuurlijk wist ik dat liefde ingewikkeld was. Maar als psycholoog was ik gewend om naar individuele verschillen te kijken. Mensen verschillen in persoonlijkheid. In hoe ze zichzelf zien. In hoe comfortabel ze zijn met nabijheid. In hoe gevoelig ze zijn voor afwijzing. Het leek dus niet zo vreemd dat zulke eigenschappen ook iets zouden kunnen zeggen over de kans dat iemand uiteindelijk een relatie vormt.
Twaalf jaar en vijf studies later stel ik de vraag anders. Dat vind ik misschien wel een van de interessantste dingen die onderzoek met je kan doen. Niet dat je een antwoord vindt. Maar dat je ontdekt dat je oorspronkelijke vraag te eenvoudig was.

We houden van verklaringen. Zeker als ze herkenbaar klinken. Iemand vindt moeilijk een partner omdat hij te introvert is. Omdat zij te kritisch is. Omdat hij bang is zich te binden. Omdat zij onvoldoende eigenwaarde heeft. Omdat iemand steeds op het verkeerde type valt. En oh wat heb ik al veel van die verklaringen in mijn praktijk langs zien komen, bijvoorbeeld als reden voor een scheiding. Ook de social media staan er vol mee. Sommige van die verklaringen kunnen in een individueel geval heel relevant zijn.
Maar wetenschappelijk wordt het lastiger zodra we willen weten of zo’n kenmerk in het algemeen voorspelt wie daadwerkelijk een relatie vormt. Dan moet je ineens veel preciezer zijn. Over wie hebben we het? Hoe oud zijn de mensen die we onderzoeken? Zoeken ze actief een relatie? Hoe ontmoeten ze potentiële partners? En wat bedoelen we eigenlijk wanneer we zeggen dat iemand ‘succesvol’ is in het daten? Een aantrekkelijk gesprek? Een tweede afspraak? Een paar weken contact? Of pas een wederzijdse relatie die na enige tijd nog steeds bestaat?
Hoe langer ik met die vragen bezig was, hoe minder vanzelfsprekend de oorspronkelijke vraag werd.

Neem een eigenschap als extraversie. Stel dat iemand gemakkelijk onbekenden aanspreekt, graag onder mensen is en weinig moeite heeft om sociaal initiatief te nemen. Dan kun je je goed voorstellen dat zo iemand tijdens een feest voordeel heeft. Maar stel nu dat diezelfde persoon niet zelf op een onbekende hoeft af te stappen, omdat twee mensen zorgvuldig aan elkaar worden voorgesteld. Is extraversie dan nog even belangrijk? De persoon is niet veranderd. De situatie wel.
Dat klinkt misschien voor de hand liggend, maar binnen onderzoek naar partnerkeuze blijkt het een behoorlijk fundamentele kwestie. Want een groot deel van wat we weten over daten komt uit heel verschillende situaties. Speeddaten. Online dating. Studenten die aangeven wie ze aantrekkelijk vinden. Bestaande stellen die al jaren samen zijn. En professionele matchmaking.
We gebruiken voor al die onderzoeken gemakkelijk woorden als aantrekkingskracht, dating, partnerkeuze en relatie. Maar onderzoeken we daarmee eigenlijk wel hetzelfde proces?
En er is nog iemand. Daar komt nog iets bij wat bij relatieonderzoek gemakkelijk uit beeld raakt. Een relatie ontstaat nooit door één persoon. Ik kan jouw persoonlijkheid meten. Je zelfwaardering. Je hechtingsstijl. Je voorkeuren. Maar uiteindelijk moet er nog iemand tegenover je komen te zitten. Met zijn of haar eigen persoonlijkheid, geschiedenis, voorkeuren, verwachtingen en reacties. Jij doet iets. De ander reageert. Die reactie doet vervolgens weer iets met jou. En langzaam ontstaat er een proces dat niet volledig in één van beide personen zit.
Dat klinkt heel logisch wanneer je het zo opschrijft. Maar methodologisch maakt het onderzoek ineens een stuk ingewikkelder. Want misschien moeten we niet alleen vragen: Wie is deze persoon? Maar ook: Wat gebeurt er tussen deze twee mensen? En vervolgens: In welke omstandigheden gebeurt dat?

Ik begon mijn onderzoek dus vooral aan de binnenkant van de persoon. Persoonlijkheid. Zelfwaardering. Hechting. Bewuste en automatische processen. Dat waren geen willekeurige keuzes. Voor al die factoren waren goede theoretische redenen en aanwijzingen uit eerder onderzoek. Maar tijdens het traject begon ik steeds vaker naar de ruimte eromheen te kijken. Naar leeftijd en levensfase. Naar het verschil tussen een eerste indruk en een relatie die werkelijk ontstaat. Naar de manier waarop mensen elkaar ontmoeten. Naar wat er gebeurt wanneer een ander niet alleen een mogelijk profiel is, maar iemand die zelf ook kiest. En naar de vraag of een bepaalde persoonlijke eigenschap misschien in de ene context veel belangrijker is dan in de andere.
Daarmee veranderde voor mij iets fundamenteels. Ik ben niet minder geïnteresseerd geraakt in persoonlijkheid of hechting. Integendeel. Maar ik ben veel voorzichtiger geworden met de zin: “Deze eigenschap voorspelt relatievorming.” Mijn eerste reactie zou nu zijn: Bij wie? Wanneer? In welke situatie? En hoe hebben jullie relatievorming eigenlijk gemeten? Misschien is dat typisch wat twaalf jaar promoveren met iemand doet.

Mijn proefschrift bevat vijf studies. Sommige uitkomsten pasten bij wat ik vooraf verwachtte. Andere resultaten deden dat niet. En juist die onverwachte bevindingen dwongen mij uiteindelijk om opnieuw na te denken over de vraag waarmee ik in 2014 begon. Daaruit ontstonden weer nieuwe vragen. Over hechting. Over wat er tijdens echte ontmoetingen gebeurt. Over de rol van de datingcontext. Over wat we eigenlijk vooraf kunnen voorspellen — en wat misschien pas zichtbaar wordt wanneer twee mensen elkaar werkelijk ontmoeten.
Dat vind ik nu, zo vlak voor mijn verdediging, misschien mooier dan wanneer het onderzoek keurig had bevestigd wat ik twaalf jaar geleden al dacht. Want als alles wat je onderzoekt precies oplevert wat je verwacht, moet je je misschien afvragen hoeveel je werkelijk hebt geleerd. Welke van mijn oorspronkelijke verwachtingen overeind bleven, welke sneuvelden en waarom ik de centrale vraag van mijn onderzoek uiteindelijk anders ben gaan stellen?
Dat vertel ik je graag op 18 september.
Aanstaande vrijdag 18 september om 13.30 uur verdedig ik mijn proefschrift aan de Open Universiteit. Je kunt de verdediging live online volgen via ou.nl/live.

Vul je naam en e-mailadres in. Je ontvangt regelmatig relatie tips en je blijft op de hoogte van onze diensten. ♥
"*" geeft vereiste velden aan